top of page

Speelvechten, wel of geen ruimte geven?


kinderen spelen vechtspelletjes

Bij speelpleinwerking Haasje-Over in Wevelgem was er afgelopen vakantie genoeg avontuur en ravotplezier te vinden ondanks het natte zomerweer. Over de hele ruimte zijn kampen gebouwd, schuiloorden opgetrokken uit dik, gepantserde muren met schietgaten om de vijand in de gaten te houden. Elk kamp is uitgerust met een arsenaal aan wapens: nurf-guns, zachte balletjes, een zelfgemaakt zwaard.  Op sommige bouwsels prijkt een vlag. Fluisterend worden strategieën besproken en wachtwoorden afgeklopt. Zonder kom je er niet in! De spanning stijgt. Sluipschutters nemen hun positie in. Verkenners worden eropuit gestuurd. Op handen en knieën sluipen kinderen langs loopgraven en rondslingerende brokstukken, steeds dichter.  Wie zal het lukken om het kamp van de tegenstander binnen te dringen?  


Als ouder, leerkracht of begeleider hebben we het vaak moeilijk met kinderen die oorlogje spelen, met speelgoedwapens in de weer zijn of anderen vormen van ‘speelvechten’.  We voelen er ons oncomfortabel bij. ‘Wanneer we toelaten dat kinderen elkaar beschieten en elkaar met zwaarden en stokken te lijf gaan, wakkeren we dan geen agressie aan?’, vragen we ons bezorgd af.   ‘En is oorlogje spelen niet traumatisch voor kinderen die uit oorlogsgebied komen?’ We maken ons zorgen want: ‘Dat stoeien, trekken en duwen dat spelenderwijs begint, loopt gegarandeerd uit de hand. Toch?’


En dus leggen we speelvechten aan banden, halen we kinderen uit elkaar wanneer hun geravot en gestoei ruwer wordt dan ons lief is en bannen we speelgoedgeweertjes.


Toch lijkt speelvechten of stoeispelen bij kinderen te horen net zoals ijsjes bij warm zomerweer en zoetzoute popcorn bij film. Een stapel kussens, dat schreeuwt toch gewoon om een kussengevecht!


Kinderen begrijpen ze vaak niet, de restricties die hen door volwassenen opgelegd worden. Hoezo mag ik geen speelgoedwapen meenemen naar school?  Hoe kan ik een echte cowboy zijn met carnaval zonder revolver? Of een star wars- held zonder lichtzwaard? Kinderen tonen zich vindingrijk om de hen opgelegde restricties handig te omzeilen.   Speelgoedwapens niet toegelaten? We maken ze wel van takken! Mag ook het spelen met takken niet(want gevaarlijk, je kan er elkaar mee pijn doen!), dan eten we onze koek zo op dat het net de vorm van een revolver heeft. Ideaal voor dat achtervolgingsspel op de speelplaats. Wie is straks de boef?


Voor kinderen is het gewoon leuk en spannend om te speelvechten. En ook volwassenen hebben vaak leuke herinneringen aan spel waarbij worstelen, trekken en duwen, kietelen, elkaar achtervolgen, over de grond rollen en elkaar bekogelen of beschieten, kwam kijken.  Hoewel het soms lijkt op vechten, is het spel dat heel normaal is in de ontwikkeling van kinderen en overal in de wereld, in alle tijden voorkomt. Sterker nog, kinderen leren er heel veel van! Zowel op fysiek, sociaal, emotioneel als cognitief vlak.   


Wanneer kinderen in een gevechtsspel verwikkeld zijn of oorlogje spelen met elkaar, leren ze belangrijke sociale en emotionele vaardigheden. Kinderen verkennen letterlijk hun eigen en elkaars grenzen door aan elkaar te duwen en te trekken. Wie kinderen observeert in de vele vormen van speelvechten, is het wellicht al opgevallen dat kinderen afspraken maken met elkaar. Vaak spreken ze een veilige zone af waar ze even uit het spel kunnen stappen en een code die aangeeft waar grenzen liggen of wanneer het spel even gepauzeerd moet worden. Wij riepen vroeger ‘drie’(er hoorde ook een handgebaar bij: onze drie middelste vingers in de lucht). Wanneer we dit handgebaar maakten, gaven we te kennen dat we het spel even wilden pauzeren omdat we het bijvoorbeeld nodig vonden om nieuwe afspraken of regels te maken. Op die manier lasten we onbewust tussentijdse momenten in waarin we het spel evalueerden, problemen oplosten en regels aanpasten om het veiliger of net uitdagender te maken zodat het leuk, spannend en uitdagend bleef voor iedereen.  De code kon ook betekenen dat je even uit het spel stapte en dat je, zolang de vingers opgestoken waren, niet beschoten, getikt of aangevallen mocht worden. De code werd gerespecteerd.  Onze grenzen werden gerespecteerd. Wat betreft het oefenen van impulscontrole, emotie-regulatie, probleemoplossend denken en cognitieve flexibiliteit, (vier belangrijke executieve functies (!)), kon deze speelervaring tellen!

 

De waarde van de vele varianten van speelvechten, die agressief kunnen overkomen maar niet persé agressief zij, is onder andere dat kinderen oefenen met het in praktijk en evenwicht brengen van twee tegenovergestelde complexe, sociale vaardigheden. Enerzijds doet dit soort spel appel op kinderen hun assertiviteit. Ze leren op te komen voor zichzelf en op een gezonde manier in competitie te gaan met elkaar. Het competitieve aspect leert kinderen om te gaan met tegenslag en conflict. Kinderen met een gezond gevoel voor competitie hebben een sterk gevoel van zelfwaarde en zullen ook later in hun leven sneller voor zichzelf en hun rechten opkomen. Tegelijk vraagt speelvechten in al zijn varianten ook om samenwerking en empathie: de vaardigheid om te luisteren naar anderen, je in de ander te kunnen verplaatsen, rekening te houden met elkaar, je beurt af te wachten en te delen met elkaar.


‘Een persoon die altijd competitief is, kan het moeilijk hebben om samen te werken met anderen en kan sociaal geïsoleerd geraken. Iemand die altijd coöperatief ingesteld is aan de andere kant, leert niet om op te komen voor zichzelf. Speelvechten biedt kinderen mogelijkheden om beide vaardigheden, competitie en coöperatie, te balanceren met elkaar.’[1]

 


kinderen spelen vechtspelletjes in turnzaal

Waarom speelvechten goed is voor kinderen[2]:

Tijdens speelvechten ontwikkelen kinderen heel wat fysieke, sociale, emotionele en cognitieve vaardigheden. Kinderen leren zichzelf te beheersen. Ze ontwikkelen inlevingsvermogen en ontdekken hun eigen grenzen en mogelijkheden in vergelijking met anderen.

  • Achtervolgingsspelletjes brengen kinderen in beweging, ze ontwikkelen zich fysiek én sociaal.

  • Om het groepsspel gaande te houden en er deel van te blijven uitmaken, leren kinderen  zichzelf aan te passen, zich te corrigeren en problemen op te lossen.

  • Kinderen leren zich aan te passen aan veranderingen in het spel (cognitieve flexibiliteit) en in te schatten hoe hun speelmakkers reageren op veranderingen.

  • Kinderen leren zorg te dragen voor elkaar, wanneer een speelmaatje valt bijvoorbeeld. Ze leren hun eigen mening en gedachtes te formuleren en over te brengen aan anderen tijdens het spel.

 

Kinderen ontwikkelen dus geen agressie tijdens speelvechten, integendeel.  Onderzoek leert ons dat: “Less successful children who are unable to grasp the concepts of play fighting in early childhood are at risk of becoming less socially successful, more aggressive adolescents[3].         


Voel je je ongemakkelijk wanneer kinderen zich inlaten met trek- en duwspelletjes en andere vormen van speelvechten? Ben je bang dat het tot echt vechten leidt? Observeer kinderen dan en wees beschikbaar. Hebben kinderen het naar hun zin? Gaan ze op in hun spel? Let op lichaamstaal: tonen ze vuisten of zijn hun handen ontspannen? Nemen ze vrijwillig en enthousiast deel of is er een kind dat de anderen of het spel domineert. Dat zijn allemaal tekenen waar je het verschil tussen spel en agressie aan kan aflezen.


De meeste kinderen beseffen dat speelvechten niet echt vechten is. Ze passen hun gedrag aan om het spel gaande te houden en ontwikkelen daarbij uiterst complexe, sociale vaardigheden. Ruimte geven aan speelvechten, is ruimte geven aan kinderen en hun ontwikkeling.

 

Meer weten?

Volg de training:  ‘Speelvechten, wel of geen ruimte geven’


Lees verder:


[1] Patti Bakony, Teri Patrick, Rough-and-Tumble Play, What the Experts Say, University of Arkansas for Medcal Sciences, 2009

[2] Gebasseerd op: Patti Bakony, Teri Patrick, Rough-and-Tumble Play, What the Experts Say, University of Arkansas for Medical Sciences, 2009

[3] Patti Bakony, Teri Patrick, Rough-and-Tumble Play, What the Experts Say, University of Arkansas for Medcal Sciences, 2009

Comments


bottom of page